Rinkelende kettingen en een onschuldig gezicht
Mijn eerste coschap begint goed, ik mag acht weken chirurgie volgen in Pretoria, Zuid-Afrika. Terwijl ik me in mijn witte jas hijs, mijn stethoscoop, schrijfboekje en pennen in mijn zakken stop, loop ik het Steve Biko Academic Hospital binnen. Het eerste wat ik zie in het ziekenhuis zijn lange rijen met wachtende mensen. Het is nog niet bekend hoe laat deze patiënten aan de beurt zijn, toch moeten ze zich allemaal al voor 7.00 uur melden. Vergeleken met Nederland is het in Zuid-Afrika ongeorganiseerd en moeten patiënten en personeel vaak lang wachten. Gelukkig zijn de artsen en studenten erg aardig en behulpzaam.
Na een paar dagen ben ik een beetje ingeburgerd in de coassistentenwereld. Dan kom ik een man tegen in een knaloranje pakje met ‘correctional services’ erop, vergezeld door twee politieagenten. De ijzeren kettingen hoor je al vanaf een verre afstand rinkelen tussen zijn benen. Zijn armen zijn bij elkaar gebonden met handboeien. Natuurlijk hebben gevangenen ook gezondheidszorg nodig maar ik vind het wel typisch dat ze zo expliciet als ‘boeven’ door het ziekenhuis wandelen.
Dit is niet de enige keer dat ik een dergelijk tafereel tegenkom. Terwijl ik lichamelijk onderzoek doe bij een patiënt, zie ik dat hij met boeien aan het bed is vastgebonden. Om zijn enkels zitten zwachtels zodat de boeien niet in zijn huid kunnen snijden. Op elke afdeling waar we de komen zien we minimaal één patiënt die zo is vastgeketend. Wanneer we een laatste week in een meer ruraal gelegen ziekenhuis in Kalafong komen, is dit aantal verviervoudigd. De gevangenisdokter verwijst de gevangenen vooral naar dit ziekenhuis door.
Het Kalafong ziekenhuis bestaat uit losse gebouwtjes, allemaal op de begane grond. Het is geen groot gebouw met verschillende verdiepingen zoals we in Nederland gewend zijn. Bijna elke afdeling heeft zijn eigen gebouw. Een reden hiervoor is dat dit de kans op ziekteoverdracht naar andere afdelingen verkleint. De afdeling chirurgie bestaat uit twee afdelingen, een vrouwen- en een mannenafdeling. Elke afdeling bestaat uit een grote ruimte die is onderverdeeld in vier kleinere ruimten. In elk van deze kleine ruimten zitten grote deuren die naar buiten open slaan. Met het mooie weer wipt er af en toe rustig een vogeltje naar binnen. De patiënten zitten op zulke dagen lekker buiten op bankjes, zo nu en dan vergezeld door politiemannen en vrouwen. Het lijkt een gezellig tafereel, iedereen houdt met elkaar een praatje om de vaak lange verblijftijd in het ziekenhuis te doden. De verhouding ziet er soms eerder uit als vriendschappelijk dan die van een bewaker en gevangene.
In de omgang zijn de meeste gevangenen bijzonder aardig. Ze werken goed mee aan het onderzoek en de behandelingen, vaak bijgestaan door hun bewakers. Toch zie je soms dat ze zichzelf schamen om met boeien en kettingen in het ziekenhuis rond te lopen.
Op het eerste oog ziet het er allemaal heel onschuldig uit, totdat een gevangenispatiënt een collega van mij vertelt waarom hij daadwerkelijk in de gevangenis zit. Hij heeft iemand vermoord maar zegt dat dit niet zijn schuld was, hij was in een agressieve bui. De man lijkt nu spijt te hebben maar wat gebeurd is, is gebeurd.
Het is maar goed dat wij als zorgverleners in principe niet weten wat een gevangene heeft misdaan. Op deze manier behandel je zonder vooroordeel. Het blijft vreemd dat achter deze ogenschijnlijk vriendelijke mensen een moordenaar kan zitten. Een paar jaar geleden is er nog een patiënt op de operatietafel neergeschoten. Bewakers doen dus meer dan alleen hun tijd doden.
